Beginsituatie

– In de protestantse traditie is wel gedacht dat de missie van Jezus – en dus ook die van een christen – vooral gericht is op wat er gebeurt ná zijn wederkomst, zeg maar: dat er zoveel mogelijk mensen in de hemel komen. Nu is dat laatste natuurlijk ontzettend belangrijk, maar het is niet het enige. In Jezus’ optreden wordt erg duidelijk dat Hij zijn Koninkrijk al in het hier en nu wilde manifesteren. Hij verkondigde het Evangelie, genas zieken en zorgde voor mensen die geen herder hebben. Met diezelfde opdracht stuurt Hij zijn discipelen erop uit. Er valt dus wel degelijk wat te zien en te merken als christenen hun missie uitvoeren.

– Voor jongeren is dat erg bemoedigend. Bij dit programma mogen we hen wijzen op de zichtbaarheid van Gods Koninkrijk in deze tijd: mensen die zich inzetten voor anderen, het evangelie verkondigen en zich bekommeren om de concrete leefomstandigheden van die anderen.

– Het kan nodig zijn om jongeren erop te wijzen dat zijzelf worden ingeschakeld bij de missie van Jezus in deze wereld. Zoals Jezus destijds een allegaartje aan discipelen gebruikte, gebruikt Hij nu nog steeds een allegaartje aan volgelingen die delen in zijn missie. Enerzijds moet ervoor gewaakt worden dat daarbij niet de indruk gewekt wordt dat het tóch om ‘succes hebben’ gaat. Misschien moeten we onszelf juist zo klein mogelijk maken, zodat God Zijn werk kan doen. Anderzijds mogen we jongeren best uitdagen om ‘in actie’ te komen (vgl. het boek Denk Groot Doe Sterk).

Doelstelling

– Jongeren (h)erkennen dat Gods Koninkrijk zich al in het hier en nu manifesteert.

– Ze stellen zichzelf daarbij beschikbaar als instrumenten om het Koninkrijk te laten zien.

– Ze denken erover na hoe ze dat concreet kunnen maken (gebed, vrijwilligerswerk, houding).

Bijbelgedeelte

Mattheüs 9:35-10:8

In Mattheüs 9 ontmoeten we Jezus, actief bezig in zijn Koninkrijksmissie. Het is een missie in woord én daad. Opvallend is dat Hij vervolgens zijn discipelen erop uitzendt met exact dezelfde missie. Als we dit gedeelte met de tieners/jongeren lezen, laten we 10:5-6 weg – niet omdat die niet belangrijk zijn, maar omdat die teveel uitleg vragen. Om de kern van het gedeelte te ontdekken, zijn ze bovendien niet nodig.

Lied

O kerk, sta op (OTH 387)

Het lied is mogelijk niet zo bekend, maar het heeft anderzijds een melodie die makkelijk in het gehoor ligt. De moeite waard om het met behulp van de YouTube-versie aan te leren.

Gebed

– Leg aan God voor dat we om ons heen veel dingen zien –en misschien zelfs meemaken – die Hij niet bedoeld heeft. Bid om zijn ontferming over ons en deze wereld.

– Belijd dat we er soms zélf schuldig aan zijn dat we in ons eigen leven onvoldoende laten zien van Gods Koninkrijk.

– Dank ervoor dat God ondanks alles doorgaat met zijn missie in deze wereld: de verkondiging van zijn Koninkrijk, met woorden en daden.

Verhalen delen

Tijdens het vorige gesprek was het thema: ‘dienen/zelfverloochening/nederigheid’. Ga kort met elkaar in gesprek over hoe het is om de ander centraal stellen boven jezelf.

 

Werkwijze

– Om in de sfeer te komen, kun je bovengenoemd nummer laten horen. Geef als luisteropdracht mee: kun je een voorbeeld noemen van een moment waarop je ervaren hebt waarover dit lied gaat?

– Als jullie het nummer beluisterd hebben, specificeer de vraag dan als volgt: ‘In het lied komt de regel voor “We zijn gegeven aan elkaar”. Kun je een voorbeeld noemen van een situatie of gebeurtenis waarin je dat ervoer, dus dat je merkte: ‘Gemeenteleden zijn er voor mij!’?

– Laat jongeren hun ervaringen delen. Als er niet zomaar verhalen komen, geef dan een voorbeeld uit je eigen leven.

Introductievorm

Wat doet ertoe?

Jongeren denken erover na wat er volgens hen wél en níet (of minder) toe doet als ‘oplossing’ van de nood in deze wereld.

 

Benodigdheden

– Je kunt deze vorm op twee manieren doen. De eerste is dat je werkt met (alleen) het werkboek. Dan heb je dus voor elke jongere alleen een werkboek nodig.

– Je kunt het ook meer aankleden. Zorg er in dat geval voor dat je van elk symbool dat in de eerste kolom (zie werkboek) genoemd wordt, een exemplaar of afbeelding hebt liggen.

– Als je het op de aangeklede manier doet, heb je voor elk groepje ook gekleurde stickertjes nodig (eventueel zelf maken met stift): tien zwart = dit zal weinig uitmaken | tien groene = dit doet er misschien wel toe I tien rode = dit doet er toe | één oranje = dit is het allerbelangrijkste.

 

Werkwijze

– Maak groepjes van ca. 5 jongeren. Als je het met (alleen) het werkboek doet, wijst de werkwijze zich vanzelf.

– In de ‘aangeklede’ versie komt het erop aan dat de jongeren samen overleggen waar ze welke stickertjes plakken.

– Vraag plenair terug waar de groepjes op uit gekomen zijn (in de aangeklede versie zie je dat vanzelf aan de stickers die bij de voorwerpen geplakt zijn). Op welke manier kijken jongeren aan tegen het vele kromme in deze wereld? Zien ze mogelijkheden om hulp te bieden? Hoe dan? Eindig bij de vinger/’ik’. In hoeverre hebben jongeren oog voor de betekenis die ze zelf kunnen hebben in deze wereld?

– Maak de overgang naar de Bijbelstudie: hoe reageert Jezus als Hij de nood in deze wereld ziet?

 

Bijbelstudie

Mattheüs 9:35-10:8

 

Doel van de Bijbelstudie is dat tieners/jongeren het gedeelte dichterbij laten komen door het te lezen door de ogen van één van de onbekendste discipelen, namelijk Lebbeüs. In de basis is de Bijbelstudie voor tieners en voor jongeren hetzelfde. Jongeren krijgen alleen nog een extra opdracht (namelijk zelf een vraag bedenken, die ze aan Jezus zouden willen stellen).

 

‘Wat denk jij ervan?’

Tieners/jongeren bespreken vragen die Lebbeüs, één van de meest onbekende discipelen van Jezus, aan een medediscipel gesteld zou kunnen hebben naar aanleiding van wat er staat in Mattheüs 9:35-10:8.

 

Benodigdheden

– Voor elke tiener/jongere een werkboek, een vel papier en een pen.

 

Werkwijze

– Maak groepjes van (liefst exact) 4 personen.

– Elke tiener krijgt één van de vier vragen toegewezen en schrijft die bovenaan zijn vel papier. Hij schrijft daar een antwoord onder dat die andere discipel gegeven zou kunnen hebben. Dan worden alle vellen papier doorgegeven naar de rechter buurman of –vrouw. Die leest wat er op het vel papier staat en reageert dáár weer op. Dat kan zijn met een aanvulling, een nieuwe vraag (over dezelfde kwestie), of een andere mening.

– Vervolgens worden de vellen opnieuw doorgegeven, waarna hetzelfde gebeurt.

– Ten slotte worden de vellen voor de laatste keer doorgegeven. Elke tiener leest voor wat er op het vel papier staat en reageert daarop: ‘kloppen’ de reacties volgens hem? De andere tieners mogen daar weer op reageren.

In Beweging

Deze vorm is eigenlijk de opmaat voor het ‘Verhalen delen’ dat hierna volgt. De bedoeling is dat tieners/jongeren erbij stilstaan dat de missie van Jezus moed en kracht vraagt. Er worden ogenschijnlijk verschillende vormen van moed en kracht naast elkaar gezet. Van Jozua kunnen we leren dat we niet te terughoudend moeten zijn – ga er maar voor! Van Paulus kunnen we leren dat het niet om onze eigen kracht gaat – je hoeft dus geen krachtpatser te zijn! De één heeft meer van Jozua nodig en de ander meer van Paulus.

 

Benodigdheden

– Voor elke tiener/jongere een werkboek en een pen.

– Eventueel ruimte en materiaal om een denkbeeldige lijn in de zaal uit te kunnen zetten.

 

Werkwijze

– Als je de vorm echt kort wilt houden, kun je hem in de grote groep doen. Laat iedereen een positie kiezen op de lijn tussen J5 en P5. Vraag een aantal jongeren hun positie toe te lichten. Eventueel kun je een denkbeeldige lijn in de zaal uitzetten, waarvan het ene uiterste staat voor J5 en het andere uiterste voor P5. Laat de jongeren letterlijk positie op deze lijn innemen.

– Alternatief is dat je de vraag in groepjes laat beantwoorden en bespreken.

Verhalen delen

Cursus ‘arbeider in de oogst’

Jongeren kiezen een cursus die ze het liefst zouden willen volgen om arbeider in de oogst van God te kunnen zijn.

 

Benodigdheden

– Voor elke jongere een werkboek.

– Pennen en papier.

Werkwijze

– Laat elke jongere zijn of haar cursus kiezen. Eventueel kun je plekken in de zaal aanwijzen waar elke cursus ‘gegeven’ wordt. Iedereen loopt dan naar de plek van zijn of haar cursus.

– Geef bij elke cursus de opdracht om samen onderwerpen, vragen en vaardigheden te bedenken die in de betreffende cursus aan de orde zouden moeten komen.

– Laat elke ‘cursusgroep’ ten slotte kort vertellen hoe hun cursus er ongeveer uit gaat zien.