Beginsituatie

Tijdpad

Als je dit programma gebruikt op de kindernevendienst, zul je een keuze moeten maken uit de verschillende programmaonderdelen. Maak voor jezelf van tevoren een tijdpad.

Beginsituatie

Voor kinderen is het heel belangrijk dat als je iets belooft, je het ook doet. En, als je het een keertje vergeet, doen ze er alles aan om het jou wel weer in herinnering te brengen. Als Jezus iets belooft, dan mag je daar 100% op vertrouwen dat het ook gebeurt. Zeker als er kinderen in jouw groep zijn, waarvan het vertrouwen is beschadigd kan dit een enorme bemoediging zijn, maar tegelijkertijd ook een ‘drempel’ vanwege hun negatieve ervaring. Wie zegt dat het wel echt zo is… Jonge kinderen hebben er geen moeite mee om hun geloof door te geven. Ze zingen gerust een christelijk lied op de fiets of vragen zomaar aan iemand ‘Geloof jij ook in God?’ Als kinderen ouder worden, kan die onbevangenheid eraf gaan. Toch mag je dan ook jouw geloof doorgeven. Misschien ben je je dan wel nog bewuster van de kracht en hulp die je op zulke momenten van Jezus krijgt! Voor elk kind is dit de vaste grond, dé belofte van Jezus: Ik ben met je, altijd en overal, tot aan het einde van de wereld.

Persoonlijke voorbereiding

– Lees het Bijbelgedeelte in z’n geheel door.

– Gebruik onderstaande punten voor je eigen voorbereiding.

Volg de opdracht

Als je even terugbladert in je Bijbel naar Mattheüs 26:32, dan zie je dat de opdracht van Jezus om naar Galilea te gaan al enige tijd terug gegeven is. Na deze opdracht is er heel veel gebeurd: Jezus is gevangen genomen, veroordeeld, gekruisigd en begraven. Wat zullen de discipelen heen en weer geslingerd zijn met hun gedachten en gevoelens. Ze zullen zich intens verdrietig, wanhopig, eenzaam, verward en misschien ook ontgoocheld gevoeld hebben. Maar, de opdracht om naar Galilea te gaan, zijn ze niet vergeten. En, zo doen ze wat Jezus hun had opgedragen. Ondanks alles, voeren ze de opdracht uit. Ook voor ons geldt dat we erop mogen vertrouwen dat Jezus doet wat Hij belooft. We zien ook dat de woorden van Jezus gezag en kracht hebben: de discipelen doen wat Hij zegt. Ook als je heen en weer geslingerd wordt, mag je zijn woorden vertrouwen én de opdracht uitvoeren.

Reactie

In vers 17 lezen we dat de reactie van de discipelen op het ‘zien van Jezus’ verschillend is. Sommigen vallen op hun knieën en aanbidden Hem. Ze zien Hem meteen als hun Heer en Heiland. Sommigen twijfelen nog: is Hij het echt? Het is wel zo dat ze allemaal de opdracht om op weg te gaan, om Jezus te ontmoeten, (Ga naar Galilea…) uitvoeren.

Ik heb de macht!

Je kunt met twijfel in je hart op weg gaan naar Jezus. Ondanks twijfels, geeft Jezus toch een opdracht. Dat is een prachtige bemoediging. Hij laat zien dat Hij alle macht heeft. In vers 18 lezen we de woorden die Jezus zegt tegen al zijn discipelen, ook de twijfelaars dus. ‘Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde’. De macht is bij Jezus: Hij is opgestaan, Hij leeft! Daar zijn de discipelen ooggetuigen van. Deze krachtige woorden halen alle twijfels onderuit. Geloof dat Jezus alle macht heeft: altijd en overal.

Opdracht en belofte

Na deze bemoediging, geeft Jezus ook een duidelijke opdracht. Deze opdracht kun je doen omdat Hij alle macht heeft. In de kracht van Jezus sta je sterk.

Ga heen: Blijf niet op deze berg staan, maar ga op weg. Trek eropuit om iedereen te vertellen over Mij. Na het Pinksterfeest, zie je dit ook gebeuren. Paulus, Petrus, Johannes.. ze trekken er allemaal op uit. Verderop staat ook het ‘alle volken’. Dat is letterlijk voor heel de wereld. Het evangelie is bedoeld om door te geven en niet om voor jezelf te houden.

Onderwijs: Dit woord staat in de gebiedende wijs. Het is een bevel van Jezus. Roep iedereen persoonlijk op om zich toe te vertrouwen aan Jezus. Leer aan de mensen hoe zij dat kunnen doen.

Dopend/lerend: Het onderwijs is beeldend. Laat zien dat mensen volgeling worden van Jezus door hen te dopen. Door hun naam met de namen van God te verbinden: Vader, Zoon en Geest. Laat ook zien hoe je als christen leeft. Leer de geboden aan, maar breng ze vooral in de praktijk. Maak concreet hoe je hiermee kunt leven, hoe ze jouw hart vervullen met liefde voor God en de naaste. Zodat het evangelie, als een lopend vuur, door de hele wereld gaat. Jezus eindigt zijn zendingsbevel en Mattheüs zijn Evangelie met het allerbelangrijkste voor een discipel, een volgeling van Hem: de Meester is nabij, Hij is ‘God met ons’.

Doelstelling

Weten: Kinderen ontdekken dat de woorden van Jezus ‘Ga op weg’ (zijn opdracht) en ‘Ik ben met je’ (zijn belofte) bij elkaar horen en ook voor hen zijn bedoeld.

Ervaren: Kinderen beseffen dat zij van hun eigen geloof iets kunnen doorgeven aan anderen en dat Jezus hen hierbij helpt.

Doen: Kinderen geven op hun eigen manier iets van de boodschap van Jezus door.

Lied

Zing het lied ‘Ik ben nooit alleen’ uit op Toonhoogte 513. Vraag aan de kinderen hoe zij weten dat Jezus bij hen is. Want we kunnen hier wel over zingen, maar hoe weet jij dat dan? Laat kinderen hierop reageren. Vertel tot slot dat Jezus dit ook zelf heeft gezegd in de Bijbel.

Andere liederen:

Psalm 134:3

Ga in vrede OTH 493

Gebed

‘We hebben de afgelopen tijd heel veel gehoord uit de Bijbel. En, we weten al veel! We hebben geleerd wat U voor ons heeft gedaan. En hoe we dichtbij U kunnen blijven. Maar, Heere God, als U er Zelf niet bij bent, dan weten toch nog helemaal niets! Wilt U daarom in ons midden komen en ons helpen als we in de Bijbel gaan lezen. Amen.’

Verhalen delen

Jij krijgt de beurt

Kinderen praten op een speelse manier over het thema van dit programma.

Nodig: Je hebt voor deze werkvorm een bal nodig om over te gooien naar elkaar. Gebruik hiervoor eventueel een zachte bal.

Gesprek: Vertel de kinderen van tevoren dat je alleen mag praten als je de bal hebt. Pas dan krijg jij de beurt. Ik ga een vraag stellen en degene met de bal mag antwoord geven. Als iemand te lang aan het woord is, geef je de opdracht om de bal naar een ander te gooien. Als je klaar bent met jouw antwoord, mag je hem gooien naar iemand die hem nog niet heeft gehad. De vraag kan meerdere keren beantwoord worden door verschillende kinderen. Vraag zelf eventueel door als kinderen iets vertellen wat niet helemaal duidelijk is. Het gaat om hun beleving bij dit programma naar boven te krijgen.

Vragen:

– Geeft jouw moeder je wel eens een goede raad?

– Heb je wel eens voor niets op iemand staan wachten?

– Heeft iemand wel eens iets beloofd aan je… en het moet nog gebeuren?

– Wanneer heeft iemand jou bemoedigd? (gezegd: Kom op, je kunt het wel)

– Wat geeft jou kracht om iets moeilijks te doen?

Maak een brug van deze introductie naar het Bijbelverhaal als volgt: In het verhaal dat we gaan horen, gaat het eigenlijk over alle vragen die ik gesteld heb. Je krijgt een belofte van Iemand waar je heel veel kracht en moed van krijgt. Zodat je de opdracht van Jezus kan doen. Welke opdracht? Welke belofte? Luister maar…

Bijbel

Vertelling

Vertel het verhaal uit Mattheüs 28:16-20. In deze handleiding vind je hiervoor een voorbeeldverhaal.

Voorbereiding

Verdiep je in het Bijbelgedeelte met hulp van de achtergrondinformatie die staat in de handleiding.

Brug van de introductie naar de vertelling

Jezus heeft de discipelen de opdracht gegeven om naar Galilea te gaan. Daar moeten ze op Hem wachten. Maar, ondertussen is er zoveel gebeurd, dat ze niet zo goed weten wat ze daar moeten verwachten. Sommigen hebben Jezus nog wel gezien, Hij leeft weer! Dat is geweldig nieuws! Maar, nu is het even geleden dat Jezus gezien is… Toch, gaan ze op weg naar hun afspraak met Jezus.

Verhaal

Jakobus kijkt zijn vriend Petrus aan. ‘Petrus, kun jij je het voorstellen dat we hier nu zo lopen. Ik bedoel veertig dagen geleden waren we nog zo verdrietig omdat Jezus was gestorven. En nu… nu leeft Hij weer!’ ‘Inderdaad Jakobus, ik kan het mij niet voorstellen. Wie had dat gedacht?’ Samen met de andere discipelen lopen ze richting Galilea. Het was de plaats die Jezus had genoemd. Ze moesten naar Galilea gaan en daar zouden ze Jezus weer zien.

Samen met alle andere discipelen is Petrus dus op weg naar Galilea. Het is voor hem geen onbekende weg. Wat had hij hier vaak samen met Jezus gelopen. Petrus kijkt nog eens goed om zich heen. Daar had de je hof van Getsémané. Nog niet zo lang geleden was hij daar ook geweest. Hij wordt niet blij als hij daar nu aan terug moet denken, want dat was de plek geweest waar hij in slaap was gevallen, terwijl hij wakker moest blijven. En daarna was hij, die beloofd had altijd bij Jezus te zullen blijven, weggevlucht. Wat was hij bang geweest in die nacht. Nee, echt blij wordt hij niet als hij daaraan terug denkt. Hij kijkt eens naar de andere discipelen en ziet dat ook zij diep in gedachten zijn. Niemand zegt iets, iedereen is druk met zijn eigen gedachten. In alle stilte lopen ze verder.

Als Petrus na een tijdje voor zich uit kijkt, lijkt het wel of hij in de verte Iemand ziet staan. Hij vouwt zijn handen om zijn ogen en kijkt nog eens goed. Dan ziet hij het ineens… het is Jezus die daar staat! Jezus, zijn Meester, staat daar op de berg! ‘Kijk jongens, daar staat Jezus!’ Petrus schreeuwt het uit, zo blij is hij. En ook de anderen zijn blij dat ze Jezus weer zien. Iedereen? Nee niet iedereen. Een aantal discipelen weten het niet zeker, ze twijfelen of het wel waar is wat Petrus zegt. Maar Petrus weet het zeker: het is Jezus. Kijk maar, Hij komt nu naar hen toe lopen. Het is Jezus echt! Jezus begint met hen te spreken. ‘God heeft Mij alle macht gegeven in de hemel en op aarde’, klinkt het uit de mond van Jezus. ‘Jullie moeten naar alle volken gaan, zodat iedereen mijn leerling kan worden. Jullie moeten de mensen dopen in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige Geest. Leer de mensen om zich te houden aan alles wat ik jullie verteld heb.’ Wat, denkt Petrus, moeten zij mensen gaan dopen? Moeten zij iedereen gaan vertellen over Jezus? Maar dat kunnen ze toch nooit, hoe moet hij dat gaan doen zonder Jezus? Snel luistert hij weer verder naar Jezus. ‘En vergeet nooit…’ Jezus stem vervaagt wat, klinkt verder weg, zachter en zachter. ‘Ik ben altijd bij jullie, totdat de nieuwe wereld komt.’

En dan is het helemaal stil. Ze zien Jezus niet meer. Petrus kijkt om zich heen en ziet dat ook zijn vrienden blijven staren naar de hemel. Jezus heeft afscheid van hen genomen. Of… is het wel een afscheid? De laatste woorden van Jezus heeft hij goed onthouden: Jezus zal altijd bij Hem zijn, dus… eigenlijk heeft Hij helemaal geen afscheid genomen. Het is geen einde, maar meer een nieuw begin. Een nieuw begin om iedereen te vertellen over Jezus. Want Petrus is ook de andere woorden niet vergeten. Jezus heeft hen een opdracht meegegeven. Zij, die jaren met Hem zijn opgetrokken, zij mogen nu zelf de wereld ingaan. Zij mogen ervoor gaan zorgen dat iedereen over Jezus gaat horen. Alles wat ze geleerd en gehoord hebben van Jezus, mogen ze nu gaan doorgeven. Maar, dat hoeven ze gelukkig niet alleen te doen. Jezus zal met hen meegaan.

Afronding

Petrus is op pad gegaan, zoals Jezus dat van hem gevraagd had. Samen met de andere discipelen zijn ze naar verschillende landen gereisd, om zo heel veel mensen over Jezus te vertellen. En telkens weer mochten ze het ontdekken: ze hoefden nooit alleen te gaan. Jezus was altijd en overal bij hen. Elke keer mochten ze weer nieuwe mensen dopen. Zo ging het verhaal van Jezus de hele wereld over en kwam het ook in Nederland. En weet je wat zo mooi is? Ook jij mag alles wat je over Jezus geleerd en gehoord hebt weer gaan doorgeven. En nee, ook jij hoeft dat niet alleen te doen. Want ook voor jou geldt de belofte die Jezus aan de discipelen meegaf: Vergeet nooit: Ik ben elke dag bij jou!

In het werkboek kunnen de kinderen na de vertelling nog een puzzel maken.

In beweging

Geef maar door!

Kinderen spelen een ‘doorgeef-spel’ en staan hiermee nog een keer stil bij de kern van dit programma.

Nodig: Verzamel de materialen die je nodig hebt om de spellen te spelen. Zet zoveel mogelijk van tevoren klaar. Maak een keuze uit onderstaande spellen met het oog op jouw groep kinderen.

Vertel: Soms valt het nog niet mee om iets door te geven! Dat gaan we met dit spel zeker merken…

Doen: Maak een keuze uit deze spellen.

– Ga in de kring staan en geef elk kind een lepel. Van metaal of van plastic, dat maakt niet uit. Klem het uiteinde van deze lepel stevig tussen je lippen. Leg op één lepel een licht voorwerp, dat niet te snel gaat rollen. Denk aan: een prop, een blokje of een kneedgummetje. De kinderen proberen dit voorwerp aan elkaar door te geven via de lepels. De kring een keer helemaal rond.

– Maak tweetallen en zorg per tweetal voor één bal. Klem de bal tussen de ruggen en probeer naar de overkant te lopen. Hiervoor regel je dus even een begin- en eindstreep. Maak er een wedstrijd van.

– Probeer de omhulsel van een luciferdoosje door te geven aan elkaar. Geef één kind zo’n doosje op z’n neus. Probeer zelf even uit of je het juiste maat doosje hebt. Dit kind moet proberen het doosje door te geven aan iemand anders, via de neuzen. Je mag je handen niet gebruiken. Iedereen moet het doosje een keertje krijgen.

Afsluiting: Lukt het om het voorwerp door te geven? Best lastig soms! Misschien vind je het ook moeilijk om iets van je geloof door te geven aan anderen? Om te vertellen dat je gelooft of om te bidden voor je eten als iedereen naar je kijkt. Wij hebben gehoord in het Bijbelverhaal dat Jezus altijd bij je is. Dat mag je voor altijd onthouden.

Gebed

Geef alle kinderen een waxinelichtje (op batterijen). Houd het op je hand en doe dit lichtje aan. Het is extra mooi als je het donker kunt maken. Kijk eens, wat een licht we samen maken. We mogen dit licht van God ook doorgeven aan anderen. Zodat het overal in de wereld gaat schijnen! Houd je lichtje brandend en ga op weg: mét Hem. Zing elkaar een zegenlied toe aan het einde van deze bijeenkomst. De Here zegent jou, Op Toonhoogte 485.