Tijdpad

Als je dit programma gebruikt op de kindernevendienst, zal je een keuze moeten maken uit de verschillende programmaonderdelen. Maak voor jezelf van tevoren een tijdpad. Kies voor zowel de jongste als de oudste kinderen in elk geval voor de opdracht bij Bijbel en de verwerking bij In Beweging.

Beginsituatie

Als er een baby wordt geboren, is vaak het eerste dat men vraagt: ‘En, hoe heet hij/zij?’ De meeste kinderen zullen hun naam hebben gekregen van hun vader en/of moeder en zij beseffen dat deze naam met veel liefde en zorg uitgekozen is. Door een naam te noemen van iemand, hebben we vaak meteen een beeld in ons hoofd van die persoon. We denken aan iemands uiterlijk, maar ook aan iemands eigenschappen en karaktertrekken. Zo is een naam veel meer dan een paar losse letters, het geeft ons meteen een plaatje van iemand. Als je kinderen vertelt dat de naam van Jezus ‘Redder’ betekent zullen de meesten dit wel herkennen. Toch zit er meer kracht en macht in de naam van Jezus dan wij en de kinderen vaak beseffen. Door het werk van de heilige Geest gebeuren er wonderen in zijn Naam! Bij wonderen denken de kinderen waarschijnlijk al snel aan genezing van zieken, maar de blijde boodschap dat Hij onze Redder wil zijn is een nog groter wonder! Die boodschap mag je in Jezus’ naam doorgeven aan de mensen om je heen.

Persoonlijke voorbereiding

Handelingen 3:1-12 en 16

– Lees het Bijbelgedeelte door. Waar zie je in dit Bijbelgedeelte de kracht van Jezus?

– Gebruik onderstaande punten voor je eigen voorbereiding.

 

Context

In Handelingen 1 en 2 lezen we over de uitstorting van de heilige Geest. Mensen worden in vuur en vlam gezet, zo ook Petrus. Hij houdt een indrukwekkende toespraak waarin hij de mensen haarfijn vertelt dat zij Jezus, de Zoon van God, aan het kruis geslagen hebben. Hij roept op tot bekering (vanaf vers 38). Lees in Handelingen 2, vanaf vers 42 zelf wat dit teweeg brengt! Daarna lezen we in Handelingen 3 vers 1 dat Petrus en Johannes naar de tempel gaan tijdens het uur van het gebed. Ze zonderen zich dus niet af in een eigen kerk, maar ze blijven binnen het Joodse verband van tempel en synagoge. Op die manier kunnen zij getuigen zijn van Christus naar het Joodse volk toe. Zo brengen zij het Koninkrijk van God heel dichtbij.

 

De kreupele man

De man is al kreupel vanaf zijn geboorte. Zijn gebrek is aangeboren en dus niet te genezen. Hij wordt elke dag naar de poort gedragen. Hij heeft dus gelukkig mensen om zich heen staan die zich over hem ontfermden. Verder is hij er diep ellendig aan toe. Hij staat letterlijk aan de kant van de maatschappij. Hij is aangewezen op giften van de tempelgangers. De tempelpoort is een strategische plek om te bedelen. Het geven van aalmoezen stond bekend als een vrome daad, net zo als bidden. Petrus en Johannes, op weg naar de tempel, lopen langs en de man vraagt om een aalmoes, een liefdegave. Petrus spreekt de man aan en zegt: ‘Kijk ons aan!’ De man wordt niet genegeerd of afgewimpeld met wat geld, Petrus en Johannes willen oogcontact met hem. Ze zien hem écht zitten. Hij is iemand voor hen. Natuurlijk kijkt de man verwachtingsvol omhoog, wat zal hij krijgen? Dan klinkt de boodschap van Petrus: ‘Zilver en goud heb ik niet, maar wat ik heb, dat geef ik u: in de Naam van Jezus Christus de Nazarener, sta op en ga lopen!’ Dat is wel een heel andere boodschap dan hij dacht te horen!

 

Vanouds heeft een naam een grote betekenis. Met een naam wordt de hele persoon bedoeld, dus ook het gezag en de kracht van iemand. Door het noemen van de naam deed men een beroep op de kracht van de genoemde persoon. Het gaat hier om de kracht en macht van Jezus. Door Hem is er genezing en heil. Het woord ‘richtte’ dat in vers 7 hier wordt gebruikt is hetzelfde werkwoord dat ook gebruikt wordt in verband met de opwekking van Jezus. Het gaat om de opstandingskracht van Jezus!

 

Blijdschap

Wat een dynamiek zit er in het vervolg (vers 8): de man springt, staat, loopt, gaat en looft. De genezing wordt op uitbundige wijze weergegeven. De man brengt zijn blijdschap meteen bij God. Hij gaat de tempel binnen (wat zal dat geweest zijn voor hem!) en hij looft God. Hij weet Wie hem genezen heeft. Deze man gelooft met heel zijn hart in Jezus. Als bewoner van het Koninkrijk van God mag je jouw blijdschap en vreugde doorgeven aan anderen.

 

Genezing

De genezing trekt natuurlijk de aandacht. Het volk is er getuige van. Men reageert verbaasd/ontsteld. Ze vragen zich af: Hoe kan dit? Wie heeft dit gedaan? Kan iemand zoals Petrus wonderen doen? Kan dat nu nog? Het is belangrijk dat je beseft dat kinderen deze vragen ook kunnen hebben. Denk daar van tevoren over na. Wij geloven zeker dat de kracht van Jezus vandaag nog dezelfde is. Hij kan en doet nog steeds wonderen. Dit zijn tekenen van het Koninkrijk van God. Tegelijk gebeurt het ook heel vaak niet, mensen blijven ziek. Wat niet wil zeggen dat het Koninkrijk van God er nog niet is, maar wél dat het nog niet volmaakt en volkomen gevestigd is. Naar dat moment mogen we wel verlangen en uitzien. ‘Uw Koninkrijk kome’. Vertel de kinderen dat de Naam van Jezus doorgeven méér is dan een ‘lichamelijk wonder’. Het gaat om het ‘geestelijke wonder’ van het behoud van deze verlamde man. Hij neemt Jezus aan als zijn Verlosser en Heiland. Hij mag God loven en prijzen zijn leven lang. Dat is meer waard dan al het goud of zilver op deze aarde. Lees ook vers 19: ‘Kom dus tot inkeer en bekeer u, opdat uw zonden uitgewist worden en er tijden van verkwikking zullen komen van het aangezicht van de Heere’. Petrus maakt meteen duidelijk dat hij dit wonder niet in eigen kracht heeft gedaan (vanaf vers 12). Hij neemt hiermee meteen het misverstand bij het volk weg. Vanuit zichzelf kan hij geen wonderen doen. Hij mag enkel een middel zijn in Gods hand. Petrus richt de schijnwerper meteen op Jezus. Het gaat niet om hem, het gaat ook niet om het wonder, het gaat om Jezus! Het gaat Petrus er om de Naam van Jezus groot te maken. De toespraak van Petrus, die volgt op deze genezing, verkondigt de dood en opstanding van Jezus, en de oproep tot bekering. Lees het gedeelte voor jezelf door tot vers 26.

 

De Naam van Jezus doorgeven

Petrus ervaart dat, ook na Hemelvaart, de beste weg nog steeds achter Jezus aan is. Ook als dit dus niet meer letterlijk is. Jezus is teruggekeerd naar zijn Vader, maar wij zijn niet alleen achtergebleven. De Geest van Jezus is naar de aarde gekomen met Pinksteren. Hij helpt ons om in Jezus te blijven geloven en om de Naam van Jezus door te geven. Door de Geest kan het Koninkrijk van God groeien en zichtbaar worden. Het is door deze Geest dat Petrus dit wonder kan doen. Natuurlijk is dit wonder geweldig. In de Naam van Jezus is alles mogelijk. En dáár draait het om: de Naam van Jezus. Petrus roept de mensen op: blijf niet bij dit wonder ‘hangen’, maar blijf bij Jezus ‘hangen’. Hij is gestorven voor jou. Hij heeft jouw schuld betaald aan het kruis. Door Hem is er redding mogelijk. Neem Hem aan als jouw Heiland. De verlamde man weet ook waar hij zijn moet: in de tempel bij God. Hij looft God want aan Hem komt de eer. Petrus richt in zijn toespraak de schijnwerper ook meteen op Jezus. Mooi is dat! Wij mogen dat in ons leven van alle dag ook doen. Dat doen we door de Naam van Jezus centraal te stellen in ons leven. We mogen anderen vertellen over de kracht van Gods Koninkrijk, die te vinden is in Jezus, de Koning van dit rijk.

Doelstelling

Weten: Kinderen weten dat Petrus alleen in Naam van Jezus én door zijn kracht de zieke man kan genezen.

Ervaren: Kinderen beseffen dat zij ook ‘de Naam van Jezus’ mogen doorgeven in hun eigen omgeving.

Doen: Kinderen laten merken aan anderen dat het geloof in Jezus hen blij maakt en geven die blijdschap ook door.

Lied

Heet de kinderen hartelijk welkom en vertel dat jullie beginnen met een lied dat gaat over Jezus want Hij is onze Redder. Zing met kinderen het lied ‘Samen in de naam van Jezus’ uit de liedbundel Op Toonhoogte, nummer 360.

 

Vraag hierna of iemand weet wat de naam van Jezus betekent? (Jij hebt het eigenlijk al verklapt toen je het lied aankondigde: Jezus is Redder.) Eventueel laat je de kinderen met kleurpotlood of stift in het lied de naam van Jezus opzoeken en onderstrepen. Over deze naam gaan we nadenken.

Gebed

‘Jezus, U bent onze Redder! We mogen weten dat we in Uw naam vergeving mogen ontvangen voor onze zonden. Help ons om Uw naam met eerbied en ontzag uit te spreken zodat het geen gewoonte wordt of een lege kreet. Wilt U aan ons, en aan heel ons dorp en ons land, laten zien hoe machtig Uw naam is! Amen’

Introductievorm

Met de introductie komen de kinderen in het thema en kun jij meteen een kijkje nemen in hun leefwereld.

Verhalen delen

Schuilnamen

Door dit spelletje ontdekken de kinderen dat een naam vaak ook iets zegt over de persoon zelf. Iemands naam ‘past’ gewoon bij hem/haar!

 

Nodig: Zorg voor losse blaadjes en pennen. Geef elk kind een blaadje en een pen.

Werkwijze: Vertel dat iedereen voor zichzelf een schuilnaam moet verzinnen. Dit moet iets zijn wat bij jou past vanwege je uiterlijk, je hobby’s, je talenten. Schrijf deze naam op en lever hem in bij de leiding. Zorg er voor dat niemand weet wat jij hebt opgeschreven! Misschien moet je dus ook even je handschrift een beetje verdraaien. Hang de namen van de kinderen op of leg ze neer op een tafel. De kinderen moeten er nu achter zien te komen bij wie welke naam hoort. Dit doen ze door zoveel mogelijk vragen aan elkaar te stellen. De vragen mogen alleen met ‘ja’ of ‘nee’ beantwoord worden. Geef de kinderen tien minuten de tijd om door elkaar te lopen en zoveel mogelijk vragen te stellen. Geef eventueel een voorbeeld: Speel jij voetbal? Woon jij op een boerderij? Enz. Na deze tien minuten geef je de kinderen een pen en mogen ze op de blaadjes (met de schuilnamen erop) de naam schrijven van het juiste kind dat hierbij hoort. Natuurlijk worden aan het eind van het spelletje alle schuilnamen vrijgegeven.

 

Maak de brug naar het Bijbelgedeelte als volgt: (je kunt hiervoor ook samen de tekst in het werkboek lezen) Een naam kan bij je passen vanwege je uiterlijk of je talenten. Vaak hebben namen ook een betekenis. (Eventueel: wie weet de betekenis van zijn/haar naam?) In de tijd van de Bijbel hadden namen ook een betekenis. Simon betekent ‘riet’. En Petrus ‘rots’. Simon kreeg van Jezus ook een nieuwe naam: Petrus. Dat vond hij vast niet zo erg. De naam van Jezus betekent ‘Redder’. Om Hem gaat het in Gods Koninkrijk. En over die Naam gaat het ook in dit Bijbelgedeelte. Als deze naam wordt doorgegeven, zet dat iemands leven op z’n kop!

Bijbel

Bijbelopdrachten over Handelingen 3:1-12

Begin met de kinderen de opdracht te geven om hun ogen dicht te doen. Vertel dat jij het Bijbelgedeelte nu hardop gaat voorlezen en dat zij hier met hun ogen dicht naar gaan luisteren. Haal even het thema van gesprek één naar voren, waar het ging over bewoners zijn van Gods Koninkrijk, en van gesprek twee waarin het ging over hoe deze bewoners (christenen) met elkaar omgaan in dit rijk. Dit Bijbelgedeelte gaat over de kracht van Gods Koninkrijk. Geef de volgende luisteropdrachten: let heel goed op wat Petrus tegen de man zegt als hij hem geneest én let goed op wat de man doet als hij genezen is. Na het lezen, kom je terug op deze luisteropdrachten.

 

In het werkboek staan een aantal opdrachten over het Bijbelgedeelte. Maak en bespreek deze in kleine groepjes of in tweetallen. Bij opdracht vier denken de kinderen na op welke manier zij in hun leven de naam van Jezus hebben gehoord. Wie heeft hen over Jezus vertelt? Op welke momenten/ manieren was dat? Kinderen mogen het besef krijgen dat het fijn is om mensen om hen heen te hebben die hen ook daadwerkelijk laten horen en zien Wie Jezus is.

In beweging

Geef de naam van Jezus door

 

Nodig: Pak het werkboek erbij en bedenk van tevoren welke materialen je nodig hebt om de kinderen ook echt in beweging te zetten.

Oefening: We hebben bij de Bijbelopdracht nagedacht over welke mensen ons over Jezus hebben verteld. Wat is het fijn als je mensen hebt die dit gedaan hebben én nog doen. Maar, je mag ook zelf de boodschap van Jezus doorgeven aan anderen. Zo geef jij op jouw beurt ook weer de naam van Jezus door! We gaat dit met elkaar kort oefenen. In het werkboek staat ‘Dit wil ik jou over Jezus vertellen…’. De kinderen maken deze zin eerst voor zichzelf in hun eigen schrift af. Daarna geven ze hun werkschrift door aan het kind dat rechts van hen zit. Hierin schrijven ze deze boodschap ook op. Zo worden de schriften doorgegeven totdat je je eigen schrift weer voor je hebt. Deze opdracht werkt het beste met groepjes van ongeveer 6 -10 kinderen. Dit betekent dat je de groep dus eventueel even moet splitsen.

Doen: Als de kinderen hiermee klaar zijn en geoefend hebben, gaan ze in hun groepje allerlei manieren verzinnen hoe zij nog meer de naam van Jezus kunnen doorgeven. Ze denken ook na hoe zij de blijdschap, die Jezus geeft, door kunnen geven. Geef even een voorbeeld (zie hieronder). De kinderen schrijven de ideeën op in het werkboek. Inventariseer alle ideeën en kies er één of meer uit om uit te gaan voeren.

 

Je kunt denken aan de volgende ideeën:

  • Schrijf op een kaartje een mooie Bijbelse boodschap en stop hem bij je oma in de brievenbus.
  • Schakel kinderen in om bij de kinderoppas (of jongste kinderen van de club) uit de kinderbijbel voor te lezen. Of lees je broertje/zusje voor uit de kinderbijbel.
  • Richt een kinderkoor op, studeer een drietal liedjes in en vraag of jullie mogen zingen in het verzorgingshuis.
  • Vraag je vriend om mee te komen naar een activiteit van de kerk.
  • Bedenk iets waarmee je de naam van Jezus kunt doorgeven aan de gemeenteleden. Dit kan door met waxinelichtjes heel groot de letters van Jezus te maken op het kerkplein zodat als de kerk uit gaat iedereen dit kan lezen. Of door waxinelichtjes met een kaartje eraan uit te delen als de kerk uit gaat (Ik geef het licht van Jezus door!).

 

Tip: Kijk ook zeker of er binnen jullie gemeente al een mooi project bestaat waar jullie bij aan kunnen sluiten.

Gebed

In het werkboek staan een aantal gebedspunten. Stimuleer de kinderen om elke dag één van die punten mee te nemen in het gebed. Vraag de kinderen ook naar hun eigen gebedspunten.  Ga voor in gebed en geef een moment van stilte aan, waarin de kinderen zelf kunnen bidden. In deze stilte mogen ze de namen noemen van de mensen die aan hen de naam van Jezus hebben doorgegeven.

 

– Bid voor mensen die zich inzetten om het Evangelie te verspreiden (denk aan de dominee, maar ook aan zendingswerkers/evangelisten).

– Bid voor de mensen die de naam van Jezus niet kennen.

– Dank voor het wonder van Gods liefde: Hij gaf zijn Zoon voor ons.

– Dank God voor de kracht van Jezus, dat er nog steeds wonderen gebeuren in zijn Naam.

– Dank speciaal voor de mensen die aan jou het Evangelie hebben doorgegeven.

 

Geef kinderen tijdens het gebed gelegenheid om in stilte te bidden voor deze mensen.